|
Mirko Noordegraaf onderscheidt in zijn boek ‘Management in het publieke domein’ vier settings voor publieke managers, waarbij iedere setting andere management stijlen vereist. Deze settings verschillen van elkaar op twee punten: de zogenaamde ‘issues’ en ‘instituties’.
Issues instituties kunnen volgens Noordegraaf simpel of complex zijn.
Wanneer we de issues en instituties met elkaar combineren in een matrix, komen we tot vier verschillende uitkomsten. Noordegraaf heeft deze uitkomsten settings genoemd. Zij zijn:
• Bedrijfssetting
• Expertsetting
• Ideologische setting
• Gepolitiseerde setting
Bedrijfssetting: In de bedrijfssetting zijn zowel de issues als de instituties simpel. De managers binnen een bedrijfssetting zijn vooral gericht op efficiëntie en effectiviteit.
Expertsetting: In de expertsetting is de omgeving nog steeds overzichtelijk en zijn de instituties dus simpel. De issues zijn hier echter complex. Dit komt doordat kennis hier verspreid is over verschillende personen en het meestal niet mogelijk is voor managers om deze kennis te absorberen. Artsen hebben de specifieke kennis om patiënten te behandelen, managers bezitten deze kennis niet maar moeten wel leiding geven aan de organisatie.
Ideologische setting: In de ideologische setting zijn de issues zelf simpel, maar bestaan er zeer uiteenlopende overtuigingen over de issues. Hierdoor wordt de omgeving, instituties, complex. Meestal kan voor een bepaald issue geen ‘juiste’ oplossing gevonden worden doordat meningen over de oplossing verschillen op bijvoorbeeld politiek, ethisch of religieus gebied. De managers zijn hier dan ook niet direct gericht op het vinden van een oplossing, maar op het vormen van een beleid en op het bevorderen van interactie tussen de partijen.
Gepolitiseerde setting: In de gepolitiseerde setting zijn zowel de issues als de instituties complex. Er zijn veel verschillende spelers met allemaal hun eigen expertise. Deze spelers hebben allemaal ook verschillende sterke overtuigingen. Hier belanden we in het politieke spel.
|
|